|
Getrouwde priesters waren in de beginperiode van het christendom vanzelfsprekend. Zo schrijft Paulus – 1 Tim. 3,2 enz.: „De bisschop dan moet onberispelijk zijn, slechts éénmaal gehuwd; gematigd, bezonnen, zedig, gastvrij, geschikt voor het onderricht, geen drinker, geen vechter, maar zachtzinnig, vredelievend, onbaatzuchtig. Iemand, die zijn eigen huis goed bestiert, en zijn kinderen onder tucht heeft met behoud van zijn waardigheid.“
|